Door Jan Gajentaan De afgelopen weken heb ik het WK goed gevolgd. Als Nederlander kraak ik natuurlijk voor Oranje, maar in het algemeen ben ik een liefhebber van aanvallend voetbal. In dit opzicht heeft Nederland helaas niet zo veel laten zien.  Sommige Zuid-Amerikaanse ploegen verrasten op het WK met fris en aanvallend voetbal, met name Chili en Colombia. Brazilië viel tegen, maar had het nadeel dat sterspeler Neymar uitviel door een blessure, net op het moment dat het begon te lopen. Daarna volgde de gedenkkwaardige afstraffing (7-1) van Brazilië door Duitsland. In de jaren zeventig en tachtig waren het altijd Brazilië en Nederland die het meest aanvallende voetbal lieten zien op grote toernooien. Nederland maakte in 1974 (2e plaats) grote indruk door het “totaalvoetbal” dat was gebaseerd op een aanvallende stijl en multifunctionele spelers met een uitstekende techniek en een (voor die tijd) heel vooruitstrevend positiespel. Zo versloeg Nederland toen Brazilië met 2-0 in een gedenkwaardige halve finale. Omdat Cruyff sinds 1973 in Spanje speelde bij Barcelona en daar later ook trainer werd, is de Nederlandse  voetbalstijl  later in een wat gewijzigde vorm (meer nadruk op het middenveld) bij Barcelona en de nationale ploeg van Spanje terecht gekomen, met grote successen als gevolg: Spanje won twee Europese titels en één wereldtitel (2010). De laatste twee jaar is het Spaanse voetbal wat in verval geraakt, wat te maken heeft met een generatiewisselingvan  spelers. Ondertussen had de Duitse voetbalbond veertien jaar geleden, na een desastreus verlopen EK in 2000, een plan opgezet om het Duitse voetbal op een hoger plan te brengen, waarbij ook de clubs en hun jeugdopleidingen werden betrokken. Dit is goed gelukt en mede door de invloed van bondscoaches Klinsmann en Löw en door clubtrainers als Guardiola (Bayern München) en Jürgen Klopp (Dortmund), zijn velen van mening dat Duitsland nu de toonaangevende voetbalnatie is. Net zoals de Spanjaarden hun eigen karakteristieken hebben toegevoegd (het tikkie-takkie voetbal met veel middenvelders) hebben ook de Duitsers hun sterke punten, die vooral liggen in de snelle omschakeling. Ze zetten druk op de tegenstander en wanneer de bal is verkregen voeren ze snel een counter uit over meerdere schijven. Het succes van het Duitse elftal op dit WK spreekt boekdelen. Nederland heeft met een een heel beperkt elftal (met één superster, Robben) op zich een goede prestatie geleverd om de laatste vier te halen. Echter om dit doel te bereiken hebben Van Gaal en zijn spelers resultaatvoetbal gespeeld en alle principes van de Hollandse School losgelaten. In feite speelden zij zoals Duitse of Italiaanse ploegen in de jaren tachtig en negentig, met het accent sterk op de verdediging. Grote delen van de wedstrijden van Oranje waren niet om aan te zien, behoudens enkele mooie momenten,  zoals de solo’s van Robben. Al met al moeten we misschien blij zijn dat Duitsland met goed voetbal de finale heeft gehaald en het daar zal opnemen tegen Argentinië, een gevaarlijke outsider, omdat het land compact speelt  en bovendien de briljante sterspeler Lionel Messi in de gelederen heeft.  Duidelijk is dat veel Zuid-Amerikaanse landen een groot potentieel hebben aan voetbaltalent, maar dat een gestructureerde aanpak van de voetbalbond en de clubs nodig is (zie ook het voorbeeld van Duitsland) om het voetbal op een hoger plan te krijgen.

Dit bericht is afkomstig van GFC Nieuws. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.