Suriname heeft een periode van meer dan twee decennia van stijgende economische groei achter zich gehad. De huidige generatie moet twee keer zo veel te besteden krijgen als de vorige. Niet alleen historisch gezien, maar ook in internationaal vergelijkend perspectief moet die uitstekende prestatie aantoonbaar worden gemaakt. Was Suriname enkele decennia geleden nog een Caraïbisch middenmoter, inmiddels behoort ons land bij de koplopers in het Caraïbisch gebied als het gaat om de BBP omvang; alleen moet die omvangrijkheid nog per inwoner worden vertaald naar arbeidsproductiviteit en arbeidsparticipatie – en dat ondanks de malaise en gebrekkige wetgeving van de afgelopen jaren. Tegelijkertijd spreekt het allerminst vanzelf dat de status quo zowel internationaal als nationaal zo zal voortduren. De machtsverhoudingen in de lokale Surinaamse politiek kunnen veranderen. Veel opkomende partijen ontwikkelen zich van zinloze partijen tot mondige partijen en in 2019 zal twee derde van de Surinaamse middenklasse in Paramaribo wonen. Dat biedt allerlei nieuwe kansen en perspectieven, maar het maakt ook dat gevestigde posities permanent onder druk zullen komen staan. Productieprocessen zullen telkenmale versneld veranderen waarbij er sprake zal zijn van een verkorte positieclaim of behoud daarvan door marktleiders. Innoveren wordt een activiteit van een permanent proces waarbij uitvinders, hun uitvinding bijschaven en bijstellen met de betrokkenheid van de hele omgeving: werknemers van hoog tot laag, toeleveranciers, contractors, belanghebbenden en zelfs klanten als afnemers van die producten. De legitieme vraag is hoe Suriname al deze nieuwe omstandigheden in haar voortschrijdende economische ontwikkeling het beste tegemoet kan treden. Orakelen of vermogensversterking? In veel Caraïbische landen woedt de laatste jaren een hevig debat over de vraag of, en zo ja op welke manier, overheden de economische groei in hun land kunnen bevorderen. Populaire liberale uitgangspunten waren: de overheid faciliteert door de juiste randvoorwaarden van een goed rechtssysteem, goede infrastructuur en voldoende stabiliteit, dan komt de verlangde economische groei vanzelf. Al doende maakte die laissez affaire gedachte echter plaats voor de bewustwording dat overheden en bedrijven meer kunnen en moeten doen. Die bewustwording werd in het bijzonder gestimuleerd door de opkomst van de Chinese en Japanse economische ontwikkeling, die grotendeels werden gesteund door sterk sturende overheden met hun planeconomieën. Het zou de Surinaamse machthebbers derhalve sieren terug te grijpen naar de planmatige ontwikkeling, die haar zoveel vooruitgang bracht. Een tienjarenplan mag geen sinecure zijn, omdat daarmee reeds in het verleden mee is geëxperimenteerd. Het moet niet al teveel inspanningen kosten het overheidsbeleid die leidende rol toe te delen opdat de landbouw- veeteelt-visserij-en voedingssector aan een langdurige, systematische overheidssteun worden onderworpen. Om het antwoord te geven op van de vraag hoe overheden de economie van hun land het beste kunnen stimuleren, moeten twee verschillende sporen worden gevolgd. Het ene spoor is dat van de lijnrechte voorspellingen. Getracht wordt om vanuit het heden de extrapolatie te doen om te weten wat de toekomstige interessante markten, sectoren en/of technologieën zullen zijn, om dan vervolgens van daaruit een beleidsontwikkeling los te laten die daarop is gebaseerd. Voor de langere termijn moet er een andere strategie worden ontworpen. Dat zaken anders zullen lopen ligt voor de hand. Het andere spoor is dat de Surinaamse regering het versterken het verdienvermogen integraal verbeterd. Het moet een optelsom zijn van het vermogen om toekomstige mogelijkheden te benutten om toekomstige bedreigingen van buitenaf voor onze economie te weren. Daarbij gaat het om de infrastructuur, instituties en menselijk vermogen op zodanige wijze uit te rusten dat ze zich makkelijk kunnen aanpassen aan de wisselende omstandigheden. Deze spoor moet het meest ideale zijn voor de Surinaamse economie, omdat het op termijn de grootst mogelijke verzekerde kans geeft op een stabiele economische groei, die gepaard gaat met de dynamische complexiteit van de wereldeconomie. Bovendien geeft het de allerbeste garantie voor het voeren van zelfstandig economisch beleid. De strategie moet gericht zijn op versterking van ons verdienvermogen en de ontwikkelde vaardigheid bezitten om snel en adequaat in te spelen op nieuwe omstandigheden (responsiviteit). Deze responsiviteit bestaat uit: 1. veerkrachtigheid(genoeg buffers om tegenslagen op te vangen); voorkomen dat de tegenslagen zich verspreiden enz.; 2. Leervermogen of aanpassingsvermogen; A.H.Tjauw-A-Hing

Dit bericht is afkomstig van GFC Nieuws. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.