Suriname is wel één van de mooiste voorbeelden van een meervoudige maatschappij, vond Van Lier. Hoe beschreef Van Lier Suriname? Van Lier baseert zich op gegevens tussen de jaren 1940 en 1950.

Van Lier onderscheidde in die periode tussen 1940 en 1950 drie grote groepen:

1.       Blanken

2.       lichtgekleurde Creolen,

3.       de donkere bevolking en de Hindoestanen.

Daarnaast noemde Van Lier Javanen, bosnegers en Indianen. Geen uitputtende opsomming, want verderop in zijn boek heeft hij het ook over Chinezen, Hollandse boeren, Libanezen en andere groepen. Van Lier noemt bevolkingscijfers en meldt dat  blanken en lichtgekleurde Creolen een gesloten groep vormen en zich superieur voelen tegenover de inferieure groepen, maar ook dat de donkere bevolking zich superieur voelt ten opzichte van de Hindoestanen en Javanen, omdat deze groepen minder westers onderwijs hadden genoten en in grotere armoede leefden.

En – wees niet verbaasd – dat ook de Hindoestanen zich superieur voelden, een gevoel dat,  “vooral wordt gevoed door het besef zij uit een oud kastencultuurvolk afkomstig zijn, met rangen en standen dat in raciaal opzicht door Europeanen dichter bij de Europese volkeren werd gerekend dan de overige bevolkingsgroepen in Suriname”.  Ondergetekende tekent hierbij aan het principe van verdeel en heers-socia-politiek van de Europese elite als chantage politieke beïnvloeding.

Onderverdeling van de hindoestanen tot het Ariër ras, is niet voor de lol gedaan, maar voor sociaal – economisch-politieke winst(o.t).

Aan zovelen met superioriteitsgevoelens zou Suriname als land ten onder moeten gaan, zou een vooronderstelling kunnen zijn. Maar niets is minder waar. Want Van Lier beschrijft ook de embryonale eliteopkomst ontwikkeling onder de Hindoestanen, Javanen (die embryonale elite ontwikkeling geschiedt nu ook onder boslandbewoners en indianen ondergetekende(o.t)), het ontstaan van een samenbindende kracht die in zijn opvatting vooral bestond uit de westerse cultuur en met name het Nederlandse onderwijs. De sociale cohesie van de plurale samenleving kwam dus tot stand door de staatsmacht en de verwestersing(kolonialisering, o.t), door de westerse(o.t) politiek en cultuur.

Dat is een ander geluid dan Arendt Lijpharts theorie over elite-kartel democratieën.

De theorie van de elite-kartel democratie vooronderstelt dat er juist geen cohesie is en dat daarom de stabiliteit wordt bewerkstelligd door de samenwerkende elites van de verschillende etnische groepen( toch is het zo dat de elites van de verschillende groepen zorgden voor die stabiliteit door samenwerking, o.t). Toch is er een belangrijke overeenkomst tussen de theorie van de elite-kartel democratie en die van de plurale samenleving.

Dat is de vooronderstelling dat de verschillende groepen in de plurale samenleving een gemeenschap vormen. In de theorie van de elite-kartel democratie is het bestaan van een gemeenschap, dat een elite voortbrengt, een absolute voorwaarde. Zonder achterban en parlementaire zetels heeft een elite geen onderhandelingspositie in deze theorie. In de conceptie van de plurale samenleving is het bestaan van gemeenschappen gepostuleerd.

Van Lier had hieromtrent alweer een ander standpunt. Het onderscheid tussen gemeenschap en maatschappij was analytisch bruikbaar, maar hij wees er op dat de scheiding niet al te ver doorgevoerd kon worden. Gemeenschappen worden vaak als een romantisch ideaal van “zuiver en innig leven” gezien en in die vorm komen ze nauwelijks meer voor.

“Het is evenwel van belang om de moderne maatschappij aan het begrip gemeenschap te toetsen”, zo schreef hij, “omdat wij op deze wijze de gemeenschapsvormende elementen in de maatschappij kunnen belichten”. (Dit lijkt erg op het huidige debat in Nederland over sociale cohesie in moderne stadswijken).

Kenmerkend voor hedendaagse gemeenschappen zijn taal, die het bezit is van iedereen, en gezag, dat kenmerkend is voor autoriteiten in de gemeenschap die overigens niet vrij zijn van macht. Daarom, aldus Van Lier, bezitten maatschappijen gemeenschapsvormende elementen zoals gemeenschappen ook aspecten kennen die kenmerkend zijn voor maatschappijen.

In zijn beschrijving van de verschillende bevolkingsgroepen, zoals die vóór en rond de Tweede Wereldoorlog bestonden, spreekt Van Lier consequent van bevolkingsgroepen en niet van gemeenschappen. Waarschijnlijk voelde hij nattigheid. Want de vooronderstelling dat de diverse bevolkingsgroepen een gemeenschap vormden, zoals bij Furnivall het geval was en later is terug te vinden bij Lijphart, is een kwetsbaar punt in het denken over de plurale samenleving.

Zowel de donkere bevolking als de Hindoestaanse en Javaanse groepen vormden lange tijd geen gemeenschap. Dat werden zij in de loop van de decennia nadat zij waren geïncorporeerd in de belangrijkste instituties van de Surinaamse samenleving, zoals het politieke bestel en de arbeidsmarkt, en zodoende onderdeel werden van de sociaal -economische en politieke orde.

En ook: nadat die groepen een eigen ontwikkeling naar gemeenschapsvorming hadden doorgemaakt, eigen instituties hadden opgericht die hun interne cohesie versterkten en zich op die manier cultureel konden verhouden tot andere groepen. Het is deze ontwikkeling naar een externe en interne cohesie die tot stabiele gemeenschapsvorming leidde en de feitelijke pluralisering van Suriname kenmerkt(o.t).

Het begrip plurale samenleving wordt hier dus niet afgelezen aan verzamelingen van mensen met een gemeenschappelijk kenmerk, maar aan de al dan niet aangepaste institutionalisering van hun culturele erfenis. Het is een ontwikkeling naar een entiteit die Benedict Anderson een “imagined community” noemde, maar die ik operationeel in termen van een etniseringsproces in beeld probeer te brengen.

A.H.Tjauw-A-Hing / tjauwa@gmail.com

Dit bericht is afkomstig van GFC Nieuws. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.