In een onlangs gepubliceerd 198 pagina’s tellend Nederlands wetenschappelijk onderzoek met als titel ‘Aanpak georganiseerde drugscriminaliteit – Een terugblik op 25 jaar beleid en uitvoering’ komt Suriname een aantal keren met naam en toenaam voor. Het onderzoek is uitgevoerd door de DSP-groep – een bureau voor beleidsonderzoek, beleidsadvies en management) – en de Universiteit van Tilburg. 

Hieronder enkele letterlijke passages uit het interessante onderzoek.

Georganiseerde drugscriminaliteit drukt een grote stempel op de Nederlandse samenleving. Om beter inzicht te krijgen in hoe de aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit gestalte heeft gekregen, en aanknopingspunten te vinden voor versterking van deze aanpak heden ten dage, deden de DSP-groep en de Universiteit van Tilburg onderzoek naar de aanpak in de periode vanaf 1995 tot en met 2020. 

Nederland is voor de internationaal georganiseerde drugscriminaliteit een belangrijk productieland voor cannabis en synthetische drugs, en een belangrijk doorvoerland voor cocaïne. Drugsproductie en -handel hebben ingrijpende gevolgen voor de samenleving: drugsgebruik leidt tot gezondheidsschade; criminele geldstromen raken verweven met de reguliere economie; een toenemend aantal personen, als dader of facilitator, raakt vanwege financieel profijt of andere mechanismen (in-)direct betrokken bij criminele activiteiten; omstanders kunnen geconfronteerd worden met moord en ander geweld als gevolg van conflicten tussen criminele groepen; en dumping van afval van drugsproductie schaadt het milieu. 

Nederland is in de internationale georganiseerde drugscriminaliteit zowel een belangrijk doorvoerland (voor onder meer cocaïne) als een belangrijk productieland (voor cannabis en synthetische drugs). 

Suriname

Voor de ‘Hollandse netwerken’ werd vanaf de jaren tachtig ook cocaïne onderdeel van het verdienmodel. Cocaïne werd niet alleen in transporten van, op dat moment, tientallen tot honderden kilo’s aangevoerd via de zeehavens, maar ook in kilo hoeveelheden door per vliegtuig reizende drugskoeriers, die de drugs verborgen in hun bagage of kleding, of in hun lichaam. Zij maakten onder andere gebruik van de directe vluchten vanuit Suriname en de Nederlandse Antillen naar Schiphol.

Als gevolg van migratie vanuit Marokko, Turkije, de Nederlandse Antillen en Suriname, ontstonden in Nederland nieuwe connecties met bronlanden van respectievelijk hasjiesj, heroïne en cocaïne. In de loop der tijd raakten deze criminele drugsnetwerken door onderlinge samenwerking steeds meer met elkaar vervlochten.

In maart 2005 vond een algemeen overleg plaats in de Tweede Kamer over de drugssmokkel via Schiphol. De Kamer toonde zich tevreden over de resultaten op de luchthaven, maar onderkende wel dat de toestroom van cocaïne naar Nederland niet leek te verminderen. De minister stelde dat het project slechts een beperkt doel had gehad, namelijk het ‘schoonkrijgen van de luchtverkeerswegen tussen Nederland en de Antillen’. Vervolgens moest de aanlanding via de scheepvaart onder controle worden gebracht en daarna ook nog het verkeer de andere kant op. Hiervoor was samenwerking met Colombia, Suriname en eventueel Venezuela nodig, onder andere via Nederlandse politieliaisons in die landen. De scheepvaartbewegingen tussen het noorden van Zuid-Amerika en Europa moesten onder controle worden gebracht, terwijl de douanecontroles in de zeehavens van Nederland al waren geïntensiveerd.

Suriname kreeg na staatsgreep Bouterse belangrijke rol in cocaïnesmokkel

Na de staatsgreep van Desi Bouterse in 1980 begon Suriname een belangrijke rol te spelen in de smokkel van cocaïne waarbij, zo bleek uit onderzoek van de CRI (Centrale Recherche Informatiedienst), Bouterse persoonlijk betrokken was. In de jaren tachtig namen de aanvoer van cocaïne vanuit Suriname via de Rotterdamse haven en ook de aanvoer via Schiphol, verder toe. Zo was in 1989 ongeveer een derde en in 1990 de helft van de op Schiphol in beslag genomen cocaïne via Suriname ingevoerd. 

Vanaf de jaren negentig nam de problematiek rondom drugskoeriers, zoals ‘bolletjesslikkers’, toe. De drugskoeriers kwamen vooral via de directe vluchten vanuit Suriname of de Nederlandse Antillen naar Schiphol. Ze werkten veelal voor criminele groeperingen van immigranten van Antilliaanse en Surinaamse afkomst, die zich in Nederland van eigen invoer voorzagen. In 2001 bestond het beeld dat 70 procent van de ingevoerde drugs in de bagage of op het lichaam werd verstopt en de overige 30 procent van de drugs werd inwendig in het lichaam (verpakt in capsules). De hoeveelheid cocaïne per drugskoerier was relatief klein van omvang te noemen, maar door het grote aantal transporten kwam er opgeteld toch een substantiële hoeveelheid cocaïne Nederland op deze manier binnen. De controles werden vanwege de steeds zichtbaardere problematiek aangescherpt en mede als gevolg hiervan vonden de meeste inbeslagnames in deze periode dan ook plaats op Schiphol. 

Cocaïnesmokkelaars gingen, als gevolg van de verscherpte controles op Schiphol op zoek naar alternatieve methoden. De drugskoeriers vlogen bijvoorbeeld naar andere Europese luchthavens die directe verbindingen met de Antillen hadden, zoals de Parijse luchthaven Charles de Gaulle, maar waar de controles op drugskoeriers verhoudingsgewijs minder scherp waren. Daarnaast ontwikkelde West-Afrika zich als doorvoerregio, waardoor meer via Spanje en Portugal werd ingevoerd 

Suriname en Colombia en CoPa-teams

Toen de invoer van cocaïne in de jaren negentig toenam, lag de focus van de aanpak vooral bij het Openbaar Ministerie (OM) in samenwerking met de politie. Signalen in de pers over de rol van Suriname en Colombia speelden een belangrijke rol bij de aanpak. Er werden in de periode tot de vorming van de Nationale Recherche in 2004 verschillende initiatieven ontplooid op het gebied van internationale samenwerking. Deze kenmerkten zich vooral door de strategie van ‘upstream disruption’. De kern van deze strategie is het tegengaan van de smokkel van verdovende middelen in de landen van herkomst en in transitlanden.

In 1989 richtte het toenmalige gemeentelijke politiekorps Den Haag het eerste CoPa-team (Colombia-Paramaribo) op met de voornaamste taak drugs in beslag te nemen. Na een tussentijdse evaluatie richtte het korps Den Haag het tweede CoPa-team op, met het doel het Surinaamse drugskartel onder leiding van Desi Bouterse te bestrijden. Het CoPa-team kan worden beschouwd als het eerste nationale multidisciplinaire opsporingsteam met een eigen strategische stuurgroep en de fulltime beschikking over een Officier van Justitie

Er zijn uiteindelijk diverse maatregelen uitgevoerd om de drugssmokkel via Schiphol te voorkomen. Zo werd het Schipholteam verder uitgebreid, was het vanaf 2003 op grond van wettelijke maatregelen mogelijk om drugskoeriers in detentie te houden en vanaf 2005 werd het mogelijk om 100%-controles uit te voeren op vluchten met de meeste drugskoeriers. Het betrof zes plaatsen van vertrek: Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint-Maarten, Suriname en Venezuela. Sinds 1 januari 2006, toen de stroom drugskoeriers sterk was verminderd, vervolgde het OM op Schiphol ook weer alle aangehouden koeriers en was er geen sprake meer van heenzending zonder dagvaarding.

100%-controles op Schiphol

Binnen de aanpak Schiphol bestonden een aantal knelpunten. Er kwam kritiek uit Suriname en de Nederlandse Antillen op de 100%-controles en als gevolg van deze kritiek verbeterde de informatieverstrekking, douaniers werden aanvullend getraind en de wachttijden werden verkort. De Nationale ombudsman had in 2006 ook kritiek op de 100%-controles. De belangrijkste knelpunten uit dit onderzoek betroffen lijfvisitatie met ontkleding (bij een vermoeden van drugs onder de kleding) waarin formeel nog geen verdachte was, de bejegening van aangehouden personen die uiteindelijk onschuldig bleken te zijn en de behandeling van klachten over de 100%-controles. In reactie op de kritiek werden onder andere aparte ophoudruimtes en een aparte ruimte voor de röntgenscan ingericht. Ten slotte leidde de tijdelijke noodvoorzieningen voor drugskoeriers tot uiteenlopende negatieve ervaringen en personele problemen waardoor de noodvoorzieningen tussentijds werden aangepast. 

“Een onderzoek op zich”

Op de vraag van Dagblad Suriname aan onderzoekster Manja Abraham van de DSP-groep wat nu feitelijk de rol van Suriname is geweest in de cocaïnesmokkel naar Nederland en of veel Surinaamse Nederlanders in Nederland betrokken zijn bij de ontvangst en doorvoer van cocaïne, bijvoorbeeld uit de haven van Rotterdam, antwoordt Abraham: “Het antwoord op je vraag is een onderzoek op zich.”

PK

Dit bericht is afkomstig van Dagblad Suriname. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.