Het zal niemand ontgaan zijn dat de relatie tussen Suriname en Nederland al enige tijd onder zware druk staat. De verkiezing van president Bouterse en de wijze waarmee daarop gereageerd werd door Nederland, alsmede het diplomatieke incident tijdens de inauguratie van de president (geen stoel beschikbaar voor de Nederlandse ambassadeur), leek al een voorbode te zijn van een koele relatie.

Recentelijk hebben de ontwikkelingen met betrekking tot de amnestiewet en de tegenzin van Nederlandse EU-parlementariërs om de ACP-EU meeting in Paramaribo te houden, ertoe geleid dat de relatie daadwerkelijk onder het vriespunt is beland. Dat is jammer, want de relatie biedt naar mijn mening nog altijd vele mogelijkheden, ook al is deze misschien in sommige opzichten “erfelijk belast” door het koloniale verleden.

Logistiek gezien (met name door de goede lucht- en zeeverbindingen) is Nederland voor Suriname geschikter als “poort tot Europa” dan Frankrijk, wat daar verder ook uit ideologische overwegingen over wordt geroepen. Zelfs een leek kan begrijpen dat Suriname meer verdient als een pakje per rechtstreekse SLM-vlucht van Paramaribo naar Schiphol gaat, in plaats van hetzelfde pakje met Air France KLM via Cayenne en Parijs naar Europa te sturen.

Een tweede punt is dat Nederland een geschikte exportmarkt is voor Suriname, o.a. voor de agrarische sector. Er is in Nederland als enige EU-land een grote gemeenschap van Surinaamse afkomst, zodat er al een behoorlijk potentieel is voor Surinaamse vis, groenten en fruit. Ik denk dat deze positie meer gebruikt zou moeten worden als “springplank” om Surinaamse producten bekender te maken en ook te vermarkten in de overige EU-landen.

Ten derde is er nog altijd een taalgemeenschap tussen Suriname en Nederland en het belang daarvan wordt mijns inziens onderschat. Een taalgemeenschap is bij uitstek geschikt om kennis te delen en gezamenlijk projecten te ontwikkelen. Het is pijnlijk om te constateren dat de kennisuitwisseling tussen Brazilië en Nederland momenteel een hoge vlucht neemt, maar tussen Suriname en Nederland juist op een laag pitje wordt gezet.

Een vierde punt dat voor Suriname van belang kan zijn, is het aantrekken van investeerders uit Nederland. Op dit punt heeft de regering Bouterse-Ameerali wel enige initiatieven genomen die de goede richting uitgaan, zoals handelsmissies organiseren en de oprichting van bedrijven vergemakkelijken. Echter, investeerders kijken niet alleen naar harde economische factoren, maar zijn ook gevoelig voor softe factoren zoals vertrouwen en politieke stabiliteit.

De innige banden die de Surinaamse president en zijn minister van Buitenlandse Zaken onderhouden met landen als Venezuela, Iran en Cuba, zullen niet helpen om het vertrouwen van investeerders te bevorderen. De laatste jaren zijn er honderden bedrijven genationaliseerd in Venezuela en dat is voor geen enkele investeerder een erg aanlokkelijk perspectief.

Al met al hoop ik dat de grondtoon van rancune de komende jaren niet alles overheersend wordt in de relatie tussen beide landen. Samenwerking op basis van onderling respect is een betere manier om vooruit te komen.

Jan Gajentaan

In de rubriek ‘Ingezonden’ stelt GFC Nieuws een ieder in de gelegenheid om een eigen mening of visie te geven op alle actuele ontwikkelingen en/of relevante onderwerpen. Stukken die geplaatst worden komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de visie en/of de mening van de redactie.  De redactie heeft het recht om de stukken wel of niet te plaatsen, in te korten of te redigeren, zonder de mening en/of visie van de inzender aan te tasten. Er worden alleen stukken geplaatst die behoudens een ieders verantwoordelijkheid voldoen aan wat gesteld wordt in de Surinaamse wetgeving.

Dit bericht is afkomstig van GFC Nieuws. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.