GFC NIEUWS- Het was op een zonnige vrijdagmorgen in november 1996, toen ik rond 11.30 uur na een vergadering op het commissariaat Nickerie, over de viering van de naderende Onafhankelijkheidsdag op 25 november in het district Nickerie, naar mijn auto liep om naar kantoor terug te rijden.

Ik herinnerde me plots het telefonisch gesprek dat ik daags tevoren met mijn moeder had, toen zij mij vroeg om een paar kilo’s “oerdie” voor haar mee te nemen als ik weer naar Paramaribo ging en veranderde van mening. Dat was dus voor dezelfde dag gepland.

Ik veranderde van richting en liep regelrecht naar de markt tegenover het commissariaatsgebouw. Terwijl ik mijn weg baande naar de stand waar ik altijd de oerdie voor mijn moeder kocht, voelde ik dat aan mijn shirt werd getrokken. Ik keek om en zag iemand met een grijns naar mij kijken en voordat ik iets kon zeggen, ging de reistas met een smak naar de grond en werd ik deelgenoot van een stevige brasa, die ik van oom Jules Sedney kreeg.

“Mi boi, jij bent ook overal te vinden. Ie no ab’ wan oso fu tan no boi. Mi gado man, ala pres yu de tu yere”, waren zijn woorden.

“Ik werk hier in Nickerie oom Jules”, waren mijn woorden.

“Sinds wanneer dan mi boi; fa mi no sabi dan! Jij houdt ook alles geheim. Ik heb ook in Nickerie bij de Belastingen gezeten, voor ik naar Holland vertrok in de 40-er jaren. Ik kom na jaren weer in Nickerie. Nickerie is wel veranderd hoor, mi boi.”

“Oom Jules, ik ga vanmiddag terug naar de stad, dan kunt u met me meerijden, want ik ben toch alleen en als u meerijdt, heb ik gezelschap”.

“Jongeman, ik kom net aan, en jij wilt mij vandaag al weer terugbrengen naar de stad. Ai mi Gado, gun mij toch ook een beetje van Nickerie te zien en ervan te genieten. Eergisteravond zat ik thuis en dacht bij mezelf, weet je wat ik pak een dezer dagen de bus in de Dr. Sophie Redmondstraat en dan ga ik richting Nickerie. Ik wil het niemand lastig maken en als ik er eenmaal ben, zie ik het wel.”

“Oom Jules, u komt net aan; de bussen vertrekken in de regel rond kwart over zes ’s morgen en dat betekent dat u dus nog niets heeft gegeten en gedronken”.

“Ja, ik had brood bij me, en dat heb ik gegeten en ik heb een fles water bij me”.

“Weet Uuwat oom Jules, we gaan samen lekker ontbijten”.

We stapten in mijn auto en reden weg.

“Pe ye tjar mi go dan mi boi”, vroeg hij.

“Oom Jules, we gaan naar Hotel Ameer Ali, om lekker te ontbijten, vervolgens gaan we naar het Streekziekenhuis en dan krijgt u van mij een mooie rondleiding. Daar werk ik”.

“Oké, dan kan ik in het hotel direct een kamer boeken, want tamara mi wan gwe baka.”

Nee oom Jules, u gaat geen kamer boeken, u blijft bij mij en in plaats van vandaag, ga ik dan morgen terug naar de stad en dan rijdt u met me mee. Afgesproken Oom Jules?’

A bun, ma joe moeilijk jere boi.”

Bij aankomst bij het hotel stond de eigenaar Leo Ameer Ali voor de ingang te praten met enkele gasten. Hij herkende mijn voertuig en wees mij een plek aan waar ik kon parkeren. Terwijl wij naar het gezelschap toeliepen, riep de heer Ameer Ali ons toe: “directeur joe ne gi tori, je koiri nanga soso bigi bigi man; brada Jules f’ ai go, dat is lang geleden. Wat kan ik voor jullie doen heren”, vroeg hij.

“Oom Leo, mijn zeer gewaardeerde oom Jules komt net aan uit Paramaribo. Hij is mijn gast en we willen een lekker ontbijt, ook al zijn we wat laat. Kan er iets voor ons worden geregeld”, vroeg ik.

“Directeur, dat moet je me niet vragen; je moet me gewoon opdragen, vooral als mijn waarde broeder Jules erbij is, is geen enkele opdracht voor mij te zwaar”.

Tot de andere gasten met wie hij stond te praten zei hij: “heren verontschuldig me, ik heb twee zeer hoge gasten, ik ga nu met ze naar binnen. We zien elkaar later wel weer”.

Met zijn drieën hebben we ons tegoed gedaan aan een lekker ontbijt dat er wel wezen mocht en toen ik oom Leo naar de rekening vroeg, reageerde hij door te zeggen: “directeur, je hebt me nooit de kans gegeven om iets voor je terug te doen. Je hebt me zo vaak opgebeld en gevraagd om kamers te reserveren voor jouw specialisten. Ik hoefde nooit lang te wachten voor betaling van de rekeningen als ik die aanbood. Mag ik vandaag, nu mijn waarde broeder Jules er ook bij is, die ik na jaren weer zie, ook iets voor jullie doen?”

Terug in het Streekziekenhuis leidde ik Oom Jules rond en liet ik hem kennis maken met enkele specialisten. Vanuit mijn werkkamer belde ik naar mijn oom Harry Tewarie, een heel goede vriend oom Jules. Van zijn vrouw, tante Irene vernam ik dat oom Harry, mogelijk net zou zijn aangekomen op zijn rijstbedrijf. Van haar kreeg ik het
telefoonnummer door waarop oom Harry te bereiken was. Nadat ik mijn moeder verteld dat ik die dag niet meer naar Paramaribo zou afreizen, belde ik naar oom Harry en deelde hem mee dat ik samen met oom Jules de volgende dag op zijn bedrijf zal zijn.

O nee, dat was geen goed besluit van mij. Ik moest diezelfde middag met oom Jules naar hem. Dat kon niet. Oom Jules sprak zelf met oom Harry en deelde hem mee dat hij toch wel de behoefte had om zijn middagdutje te doen. “Harry dat moet je mij toch wel gunnen toch?”

Zo eindigde het gesprek, nadat tussen beide was afgesproken dat diezelfde avond rond 19.30 uur oom Harry in Nieuw Nickerie zou zijn voor een samenzijn met zijn oudere “broer”. Op speciaal verzoek van oom Harry moest ik een goed restaurant uitzoeken en voor 4 personen een reservering doen. Terwijl oom Jules zich klaarmaakte om zijn middagdutje te doen, reed ik naar Restaurant Kow Loon om de reservering in orde te maken.

Om precies 19.30 uut kwam oom Harry aan met in zijn gezelschap, mr. Albert Ramnewash. Samen met ons vieren togen wij naar het restaurant en hadden wij een onvergetelijke eetpartij. Rond 21.45 uur maakten we ons klaar om naar ons appartement te gaan toen oom Harry zei dat de avond nog niet was afgelopen. We moesten met ons allen met hem mee naar zijn huis, vlak bij zijn bedrijf. Onze kamers waren ook reeds in orde gebracht. Oom Jules en ik togen naar ons appartement om onze reisbenodigdheden op te halen en reden achter oom Harry aan.

We hebben zitten troefcallen tot een uur of 03.30 uur. Allerlei zaken, “oroe torie” dus, kwamen aan de orde. “Harry, die goede oude tijd van weleer, die wij hebben meegemaakt komt nooit meer terug. Wij mensen hebben het zelf bedorven en verpest. Kijk maar om je heen. Ook ik ben de politiek ingegaan, omdat ik na mijn studie terugkwam om het land te helpen opbouwen. Het moment waarop je in de politiek anders gaat denken dan bepaalde personen, word je een paria in de politiek. Toen ik in de politiek ging, had ik nooit kunnen bevroeden dat politiek een slangenkuil is. Ik, samen met enkele anderen, had op een bepaald moment andere visie wat politiek betreft. Toen om bepaalde redenen wij uit de NPS traden en de PNP oprichtten, werden we uitgemaakt voor fjo fjo´s. Ook het accepteren van de functie van Minister-President in 1969, is mij niet in dank afgenomen”.

Tijden het kaarten werd over van alles en nog wat gesproken. Als er een ding is wat oom Jules zijn hele leven heeft beziggehouden is namelijk het feit, dat toen hij na zijn aftreden als minister van Financiën de Stichting Industriële Ontwikkeling Suriname (S.I.O.S.) hielp oprichten en er ook de Directeur van werd, zijn dienstvoertuig hem op straat werd ontnomen.

Tijdens een bezoek aan een bedrijf, kort na de installatie van het Kabinet Pengel II na de Algemene Verkiezingen van 1967, was hij onderweg terug naar zijn kantoor. Op een gegeven ogenblik werd zijn chauffeur door een agent van politie op zijn motorfiets, ter hoogte van het Surmac-gebouw, in de Van ’t Hogerhuysstraat gesommeerd om aan de kant te gaan staan. De agent, volgens Oom Jules zeer beleefd overigens, overhandigde hem een brief.

Oom Jules kwam uit de auto en vroeg de chauffeur om ook uit te stappen. Hij verzocht de chauffeur de autosleutel aan de agent te overhandigen en samen met zijn chauffeur vervolgde hij lopend zijn weg richting Paramaribo.
Terwijl ze bij het gebouw van de Firma de Vries waren, op de hoek van de Slangenhoutstraat en de Van ’s Hogerhuysstraat, kwam hij oom Harry Tewarie aanrijden en stopte meteen.

Oom Harry vertelde dat toen hij hem zag lopen, hij bij zichzelf dacht dat hij droomde. Hij vroeg zich af of het wel waar kon zijn dat hij oom Jules zo op straat kon zien lopen. Toen oom Jules hem vertelde wat zich had afgespeeld, reageerde oom Harry door te zeggen: “broer Jules, stappen jullie in, we gaan even naar huis. Ik pak mijn andere auto en jij mag in deze rijden, net zo lang als je wilt”.

Oom Jules was het slachtoffer geworden van politieke rancune. Dit heeft zijn leven lang aan hem geknaagd. Hij sprak er niet graag met iemand over. Hij koesterde ook geen wraak, maar was er diep door getroffen.

Oom Jules was een heel bezadigd mens. Hij was heel eenvoudig naar zijn medemens toe, een hele goeie verteller. en een zeer principieel mens. Hij was in elk opzicht een grote Surinamer die op 18 juni 2020 op 97-jarige leeftijd tot hoger leven werd geroepen.

De crematie vond plaats op dinsdag 30 juni 2020.

Rust Zacht oom Jules.

R. Paltantewari

Het bericht Ingezonden| Oom Jules Sedney verscheen eerst op GFC Nieuws.

Dit bericht is afkomstig van GFC Nieuws. Bekijk het oorspronkelijke bericht hier.